Preventie van depressie
Preventie-afdelingen van ggz-instellingen zijn de belangrijkste aanbieders van interventies ter preventie van depressie. Binnen de openbare gezondheidszorg hebben vooral GGD‘en een rol in depressiepreventie. In de eerstelijn houden huisarts, sociaal-psychiatrisch verpleegkundige in de huisartspraktijk, algemeen maatschappelijk werk, eerstelijnspsycholoog en bedrijfsarts zich bezig met vroegherkenning en vroegtijdige behandeling van depressiviteitsklachten. Vanuit de nuldelijn bieden het Fonds Psychische gezondheid en stichting Korrelatie preventieve hulp voor mensen met psychische klachten”.
Dit citaat uit een artikel op de RIVM-website laat zien dat counselors nog te weinig bekend zijn als laagdrempelige hulpverlener bij het voorkómen van een ernstige depressie.
Met depressiepreventie worden nu nog weinig mensen bereikt: in totaal slechts 1% van de ruim 350 duizend mensen die per jaar een depressie ontwikkelen. Oorzaken voor dit geringe bereik liggen onder meer in de wijze waarop het landelijke en lokale beleid en de gezondheidszorg omgaan met depressiepreventie. Voor de landelijke en lokale overheid is gestandaardiseerde depressiepreventie nog grotendeels een nieuw thema. Ook is het binnen de gezondheidszorg nog geen onderdeel van het ‘getrapte zorg’ model”.
Deze website (www.depressiepreventiecounseling.nl) beoogt meer mensen te bereiken, zowel verwijzers, gezondheidszorginstellingen en patientenverenigingen als clienten, want counselors helpen nu juist daar waar een depressie op de loer ligt.
Risicogroepen en risicofactoren
Aangenomen wordt dat een depressie ontstaat door een combinatie van risicofactoren. Op basis van sociale en psychische factoren kan een aantal risicogroepen worden onderscheiden.
- Mensen van wie de ouders of naaste familieleden te maken hebben gehad met een depressieve stoornis, angststoornis of alcoholprobleem
- Mensen die al eerder een depressie hebben meegemaakt (kans op recidiverende depressie)
- Mensen met een subklinische depressie (enkele klachten die (nog) niet beantwoorden aan de criteria van een (klinische) depressie).
- Mensen die een langdurige angststoornis hebben (verhoogd risico op secundaire depressie).
- Mensen met een jeugdtrauma (als mishandeling of verwaarlozing voor hun zestiende levensjaar)
- Kwetsbare persoonlijkheden (bijvoorbeeld hoog neuroticisme, weinig zelfvertrouwen, hoge interpersoonlijke sensitiviteit, kinderen met leerproblemen)
- Kwetsbare mensen die te maken krijgen met ingrijpende levensgebeurtenissen (ernstige ziekte, verlies van arbeid, overlijden van een echtgenoot)
- Mensen met een chronische lichamelijke ziekte (waaronder tumoren, cardiovasculaire ziektes, chronisch obstructieve longziekte (COPD), lage rugpijn) of een handicap (bijvoorbeeld een visuele handicap of iets waardoor beperkingen in het functioneren ontstaan)
- Mensen met een laag opleidingsniveau en een laag inkomen
- Vrouwen (voor vrouwen is de 1-jaarsprevalentie van depressie 7.5% tegen 4.1% voor mannen)
- Alleenstaanden (weinig sociale steun, eenzaamheid, ook weduwen en weduwnaren en kwetsbare groepen zoals dak- en thuislozen en asielzoekers).
Men gaat ervan uit dat een opeenstapeling van risicofactoren bij eenzelfde individu het risico op depressie aanzienlijk verhoogd. Door zich op deze ultrahoge risicogroepen te richten, zou een aanzienlijke gezondheidswinst tegen de laagste kosten bereikt kunnen worden.
De rol van de counselor bij depressie preventie leest u onder counseling.


